Vol trots kom ik met mijn mooie nieuwe ketting thuis. Omdat ook ik last heb van beroepsdeformatie, zeg ik tegen mijn kinderen: ‘Als ik dood ben, mogen jullie ruzie maken over wie hem mag hebben.’ De jongste kijkt me aan, trekt zijn wenkbrauw op en zegt: ‘Je denkt toch niet dat ik zo’n boomerketting wil hebben.’

De volgende dag zit ik met mijn nieuwe ketting op de bank bij een gezin waarvan de moeder overleden is. Samen met haar man en kinderen wachten we op haar thuiskomst.

Ze was een weekendje weggeweest met een vriendin en zou twee dagen eerder aan het einde van de middag thuiskomen. Toen de middag voorbij was en de avond viel, was ze er nog steeds niet. Ze was het type ‘vrije vogel’, dus niemand maakte zich hier zorgen over. Ze zou onderweg vast ineens een ander plan bedacht hebben, dachten ze. Wat wel opmerkelijk was, was dat ze niet even geappt had, want dat deed ze eigenlijk altijd.

Maar ach, ze zou zo wel komen…

Als de avond vordert, zien ze een politieauto voor het huis stoppen. Er stappen twee agenten uit, die recht op het huis aflopen. Vanaf dat moment is niets meer zoals het was.

En zo zitten ze nu te wachten tot ze thuisgebracht wordt. Niet in haar rode autootje, vol verhalen over de leuke dingen die ze gedaan heeft, maar in een zwarte Mercedes Vito in een afgesloten kist. Ze is in een zeer ernstige brand terechtgekomen en heeft het niet overleefd.

Het gezin is volledig uit het veld geslagen. Er is zoveel verdriet en er zijn nog zoveel vragen. De politie heeft geprobeerd zoveel mogelijk antwoorden te geven, maar dat is duidelijk nog niet genoeg. Ze vuren de ene na de andere vraag op mij af. Ik probeer, zo goed en zo kwaad als ik kan, antwoorden te geven. Helaas ben ik slechts de uitvaartbegeleider, dus heel veel kan ik daarin niet voor ze betekenen.

Zelfs een deel van het lichaam aan hen tonen om toch echt het besef te hebben dat zij het is, is helaas onmogelijk…

Als ze binnenkomt, ligt er een zakje op de kist. Dit heeft de politie meegegeven. De dochter pakt het zakje, er zit een zwartgeblakerde titaniumketting van haar moeder in. Terwijl haar dochter de ketting uit het zakje haalt en door haar vingers laat glijden, begint ze te huilen: ‘Wat vond ik deze ketting toch altijd lelijk…. Dat uitgerekend deze ketting nu het enige bewijs is dat mama in die kist ligt…’

Vijf dagen na haar thuiskomst is het de dag van de uitvaart. Als ik ’s ochtends bij het gezin arriveer, loop ik de dochter tegemoet. Ik zie het meteen: ze heeft de ketting van haar moeder om. Ik kijk ernaar en zeg: ‘Al vond je hem misschien ooit lelijk, hij staat je prachtig.’ Ze beantwoordt mijn reactie met een omhelzing en zegt: ‘Het is de mooiste ketting die ik ooit gehad heb.’

Als ze wegloopt, reik ik naar mijn eigen ketting en hoop dat ook mijn kinderen ooit dezelfde liefde in mijn ketting zullen vinden.