Het is twee uur ’s nachts als we wegrijden bij het huis waar mevrouw is overleden. We zijn onderweg naar het crematorium om haar daar te verzorgen. Als we bij het crematorium aankomen, is het pikkedonker. Altijd een beetje spannend, zo diep in de nacht. Vlak naast het pand ligt de begraafplaats. Ik ben totaal niet bijgelovig, maar ’s nachts wordt alles toch net even anders. De weinige verlichting, de geluiden van de diertjes die in de donkere nacht tot leven komen, geven de omgeving iets duisters.
Even kijken we elkaar aan als we uit onze auto’s stappen, een beetje giechelend van de spanning die we beiden voelen. Net iets sneller dan dat we dat overdag zouden doen, halen we mevrouw uit de auto en lopen naar binnen. Misschien overdreven, maar toch draai ik snel de buitendeur achter me op slot.

Vlak voordat we de verzorgruimte ingaan, valt mijn oog op het bord: ‘geen doorgang, vanaf hier alarm-zone.’

Terwijl we bezig zijn met de verzorging, horen we ineens het piepende geluid van een deur die opengaat. We kijken elkaar strak aan, maar geven geen kik. We staan aan de grond genageld. Ik sta het dichtst bij de deur. Wat moet ik doen? Gaan kijken? Zo staan we elkaar een minuut of twee aan te kijken. Na het eerste geluid, horen we niets meer. Hebben we het ons ingebeeld? Dan fluistert mijn collega: ‘ga kijken dan!’ ‘Wat? Ik?’ stamel ik uit. ‘Ja, jij! Jij staat het dichtst bij de deur.’ Ik sta het dichtst bij de deur? Wat is dat nou voor raar argument, gaat er door mijn hoofd. Maar ja, ik wil me ook niet laten kennen, dus hoor ik mezelf zeggen: ‘Oké, ik ga kijken,’ grinnikend zeg ik erachteraan, ‘maar als ik op de gang vermoord word, doe jij wel meteen mijn laatste verzorging hè!’ Lachend kijkt ze me aan, de spanning die we zonet nog voelden, is helemaal weg. Ik doe de deur open en loop een stukje de gang in. Helemaal niets te zien. Ik controleer de deur die ik net op slot heb gedaan, nog steeds dicht, ook het bord over het alarm staat nog gewoon op zijn plek.

Ik draai me weer om en loop terug naar mijn collega. ‘De kust is veilig!’ hoor ik mezelf zeggen. Maar terwijl ik mijn zin nog amper heb uitgesproken, trekt er een doodsangst door mijn lichaam. Daar in de hoek ligt mijn collega met een bebloed hoofd. Naast haar staat een grote man met een hamer in zijn hand. Heel even verstijf ik, totdat ik zie dat de man een stap naar voren zet, zijn hand met de hamer de lucht in brengt en op mij afstapt. Ik draai me om en zet het op een lopen richting de buitendeur. Na enkele stappen realiseer ik me dat ik die op slot gedraaid heb: die ga ik nooit snel genoeg open krijgen. Ik verander van koers en ren de andere kant de gang in. Als ik langs het bord ren, hoor ik een oorverdovend geluid de gang vullen: ik ben door het alarm gelopen. Het alarm gaat zo ontzettend hard, dit moet toch door mensen in de omgeving gehoord worden. Achter mij hoor ik de zware voetstappen van de man met de hamer; hij zit vlak achter mij. Ik ren zo hard ik kan. Het zweet breekt me uit, ik ren en ik ren, maar ik lijk geen stap verder te komen. Mijn beeld vervaagt en gaat langzaam over in zwart. Ik zie niets meer, ik hoor niets meer. Alleen het alarm galmt in mijn oren.

Dan krijg ik een keiharde duw. Ik doe mijn ogen open en kijk in het geïrriteerde gezicht van mijn man. ‘Jezus Lot, doe die wekker uit. We hebben vakantie.’

Pfff, gewoon weer een droom…